Afscheid decaan: ‘Numerus fixus Verpleegkunde leek onbegrijpelijke keuze’

14 januari 2020
Beeld:

Johannes Abeling | Wilma Scholte op Reimer

Geplaatst door
Heleen Gorris
Op
14 januari 2020

Ondanks het tekort aan verpleegkundigen pleitte ze voor een numerus fixus, ze maakte zich hard voor meer onderzoek in het onderwijs én was lange tijd de enige vrouwelijke decaan op de HvA. Hoe kijkt Wilma Scholte op Reimer terug op haar periode?

Wat we nog niet weten van Wilma Scholte op Reimer? Ze durft het bijna niet te zeggen, maar de scheidend decaan van de faculteiten Bewegen, Sport & Voeding en Gezondheid is nog nooit van het Nicolaes Tulphuis naar het Dr. Meurerhuis gefietst. Nee, de reisafstand vond ze ‘wel een dingetje’.

Wilma Scholte op Reimer

In 1990 behaalde Scholte op Reimer (1969) haar diploma als verpleegkundige. Naast haar werk in de wijkverpleging studeerde ze Gezondheidswetenschappen aan de Universiteit Maastricht, waarna ze promoveerde op de zorg voor patiënten na een beroerte. In 2007 werd ze opleidingsmanager Verpleegkunde op de HvA. De laatste vier jaar was ze decaan.

Twaalf jaar geleden kwam ze voor het eerst op de HvA. Ze had ruime ervaring met de handen aan het bed, door haar werk als verpleegkundige bij een hartcentrum. Ook was ze gepromoveerd op optimale zorg voor patiënten na een beroerte. Maar werken in het onderwijs? Daar had ze nog geen idee van. ‘Ik ging er naïef in.’

 

Dat ze zo lang zou blijven had ze zelf ook niet verwacht. Wilma Scholte op Reimer neemt per 1 februari afscheid van de HvA én haar geliefde Amsterdam, om bestuurslid te worden van de Hogeschool Utrecht.

 

Ze stond als decaan aan het hoofd van twee faculteiten waar de veranderingen zich voor studenten in rap tempo opvolgen. De rol van de diëtist, gymleraar en fysiotherapeut in de maatschappij wordt groter. En er is een schreeuwend tekort aan verpleegkundigen, zowel in het ziekenhuis als in de wijk.

‘De huidige werkdruk in de zorg is niet uniek, maar wel schrijnend’

Personeelstekorten, hoge werkdruk, jonge verpleegkundigen die na twee jaar uitvallen. Het toekomstperspectief van jouw studenten is rommelig. Wat heb jij daar als decaan van gemerkt?

‘De huidige werkdruk in de zorg is niet uniek, maar wel schrijnend. Ik studeerde zelf Verpleegkunde in de jaren tachtig, het tijdperk van de ‘witte woede’. Toen werd er ook gedemonstreerd onder verplegers.’

 

‘Ik heb gezien dat studenten, en ook ouders van studenten zich zorgen maken over de werkdruk. Als faculteitshoofd vind ik dat je aankomende studenten daar tijdens de open dagen eerlijk over moet informeren.’

 

‘Onder mijn leiding is ervoor gekozen tijdelijk een numerus fixus in te voeren bij Verpleegkunde. Dat kwam omdat wij door de snel stijgende instroom de kwaliteit en het aantal stageplekken niet meer konden garanderen. Van buiten leek dat een onbegrijpelijke keuze, omdat we echt een tekort hebben aan verpleegkundigen.’

‘Maar je moet op je stage kunnen leren. Op het moment dat jij op je stage onverantwoorde dingen moet doen, kom je aan leren niet toe. Dan ben je aan het overleven. Dat kan niet, dat is onverantwoord.’

 

Op de HvA zijn de faculteiten Gezondheid en Bewegen, Sport & Voeding gescheiden. Moet dat niet gewoon één faculteit worden?

‘Ik begrijp de vraag. In de jaren dat ik hier werk zijn we veel breder naar de zorg gaan kijken. Gezondheid gaat niet meer alleen over zorg als je ziek bent, maar ook over het voorkomen ervan. Door gezonde voeding en door te zorgen dat kinderen al jong bewegen bijvoorbeeld. In dat opzicht zijn de beide faculteiten naar elkaar toe gegroeid.’

 

‘Daarom wil je dat de fysiotherapeut bij de gymleraar op bezoek gaat. Dat gebeurt wel, maar nu nog te weinig. Ik zou nog meer inhoudelijke integratie willen zien.’

Beeld: Johannes Abeling

‘Als je faculteiten samenvoegt moet je wel echt een goede reden hebben. Deze beide faculteiten hebben hun eigen cultuur en dynamiek. Daarbij is het ook een praktisch ding: bij het Dokter Meurerhuis heb je de sportvelden en gymzalen. Bij het Nicolaes Tulphuis het voordeel dat je pal naast een academisch ziekenhuis zit.’

 

Even over die inhoud. Jij hebt jezelf ten doel gesteld om onderzoek meer in de lessen te krijgen. Is dat gelukt?

‘Dat is mijn moeilijkste dossier geweest. Ik heb als decaan aan de bestuurstafel gezegd: ‘We moeten uitspreken dat zowel onderzoek als onderwijs onderdeel zijn van de HvA, en daar niet te lang mee wachten. Maar dat is nogal een verandering, omdat de focus op de HvA altijd lag op het opleiden van studenten voor de beroepspraktijk.’

‘Hoewel het nu in de missie staat, moeten we nog behoorlijke stappen zetten. Onderzoek is nog steeds een heel klein onderdeel van de HvA. Maar tegenwoordig ben je niet meer alleen gymleraar, maar draag je ook je steentje bij aan het oplossen van maatschappelijke problemen. Bijvoorbeeld door vroegtijdig motorische problemen of overgewicht bij kinderen te zien.’

‘Het gebeurt nog te weinig dat de fysiotherapeut en de gymleraar bij elkaar op bezoek gaan’

‘Bij mijn faculteiten zijn er al hele mooie voorbeelden van onderzoek dat gebruikt wordt in het onderwijs, maar het jammere is dat nog niet alles zichtbaar is. In het Nicolaes Tulphuis zit bijvoorbeeld een inspanningslab, waarbij de conditie van hartpatiënten wordt getest om te kijken hoe ze het best kunnen revalideren. Maar dat zit weggestopt achter in het gebouw, niemand die het ziet. Bij de verbouwing wil ik dat meer in de etalage zetten. Daarnaast komt er voor het Dokter Meurerhuis een skills garden, waar talentvolle sporters allerlei soorten sporten kunnen doen, zodat ze zich niet eenzijdig ontwikkelen. Dat is volgens het laatste onderzoek essentieel.’

 

Als enige vrouwelijke decaan zat je lange tijd met alleen mannen aan de bestuurstafel. Hoe was dat?

‘Ik ben me er nooit heel erg van bewust geweest dat ik de enige vrouw tussen allemaal mannen was. Ik denk dat een evenwichtige man-vrouwverhouding gewoon slim is en dat daar nog wat meer aandacht voor kan zijn. Je kunt dan van het geheel meer maken.’

 

‘Het zijn mannen. Maar om nou te zeggen dat ze daarmee homogeen zijn: zo heb ik het niet beleefd. Ik vind dat heterogeniteit ook zit in verschillende achtergronden en expertises. En dat is zeker aanwezig onder alle decanen.’

Je gaat nu plaatsnemen in het bestuur van de Hogeschool Utrecht. Ga je daar weer naïef in?

Lachend: ‘Nee, zeker niet! Voordat ik ja zei op mijn nieuwe baan heb ik goed uitgezocht wat de visie van de HU is en wat ik ervan kan maken. Ik ga me hier ook bezighouden met het verweven van onderzoek en onderwijs.’

 

‘Daarnaast blijf ik ook hoogleraar, en begeleider van promovendi. Daar ga ik als collegelid absoluut mijn voordeel mee doen, want zo blijf ik uit de praktijk horen waar jonge docent-onderzoekers tegenaan lopen, en hoe dat onderzoek nou nog beter in het onderwijs terecht kan komen.’