Taalcolumn | ‘Oh, op die fiets’

17 april 2019 Geen reacties 333 Bekeken
Beeld:

iStock

Geplaatst door
Redactie HvanA
Op
17 april 2019

Van managementtermen tot woordspelingen. HvA-docenten van het blog ikzegookmaarwat.nl nemen je in deze tweewekelijkse column mee in hun verwondering én vermaak over taal. Vandaag: waar komt het oer-Hollandse woord fiets vandaan?

Tijdens een les Tekstschrijven stelde een student een vraag over de gevreesde taaltoets die alle eerstejaars Creative Business moeten afleggen en in veel gevallen herkansen. Na mijn uitleg klonk er een opgewekt: ‘Oh, op die fiets.’

 

Het is in mijn beleving twintig jaar of zelfs langer geleden dat die uitdrukking gemeengoed was, tegenwoordig hoor ik haar zelden meer. Zeker niet uit de mond van jongeren. De herkomst van op die fiets in de betekenis van op die manier is onduidelijk. Het zou Rotterdamse straattaal zijn, maar dat is niet zeker.

 

Vloospeet
Wat me vooral verbaast, is dat het ontstaan van het woord ‘fiets’ in nog dikkere nevelen is gehuld. Al sinds het rijwiel in de negentiende eeuw een plaats in het straatbeeld veroverde, wordt er gediscussieerd over de naam. In 1869 deed hoogleraar Matthias de Vries een oproep in het Leidsch Dagblad om een alternatief te verzinnen voor het Franse vélocipède: ‘In den mond des volks zou het binnenkort onvermijdelijk tot vloospeet verbasteren, en daarmede zou de taal weinig gediend zijn!’

 

De Vries stelde wieler voor. De volksmond bepaalde anders: het werd fiets.

In 1886 verscheen het woord als viets voor het eerst in gedrukte vorm

De eerste waarnemingen van fiets en viets in spreektaal dateren van 1870 (Apeldoorn) en 1871 (Leeuwarden). In 1885 herhaalde een andere Leidse hoogleraar de oproep om (rij)wieler te gebruiken, maar toen was het al te laat. In 1886 verscheen het als viets voor het eerst in gedrukte vorm in de Arnhemse Courant en een jaar later als fiets.

De naam fiets ‘dreigde het woord rijwiel te overvleugelen,’ zo stelde het tijdschrift Noord Zuid twee jaar later vast.

 

Maar waarom fiets?

 

Je zou toch denken dat de herkomst van de naam voor het populairste vervoermiddel in dit land glashelder is, maar nee. Tot op de dag van vandaag breken taalkundigen zich het hoofd over de fiets. Is het toch een verbastering van het Franse vélocipède? Komt het uit een Zuid-Limburgs dialect (vietse: hard lopen, zich snel voortbewegen)? Is het afgeleid van de Wageningse smid en rijwielverhuurder Elie Viets? Van de Apeldoornse fietsvereniging ‘La Vitesse’? Of een onomatopee (klanknabootsing) van een snelle beweging: fts! Voor geen van deze hypothesen blijkt hard bewijs te zijn.

 

Zes jaar geleden kwamen twee Gentse hoogleraren met een andere theorie. Zij meenden dat fiets zijn oorsprong vindt in het Duitse Vice-Pferd. De fiets kan ten slotte als alternatief vervoermiddel voor het paard worden beschouwd. De bewijzen die de Vlaamse professoren aandroegen voor hun ontdekking werden door Nederlandse taalkundigen afgedaan als onwaarschijnlijk. Wie weet met een smalend ‘joh, ga toch fietsen’.

 

Een groep HvA-docenten is het brein achter het blog ikzegookmaarwat.nl. Wekelijks wisselen ze de column voor HvanA af. Vandaag was het de beurt aan Bertine Krol.