‘Wat bedoelen we nou eigenlijk met diversiteit en inclusie?’

maart 4, 2026
Beeld:

Nina Bakker

Naïm Asbaâ

Geplaatst door
Naïm Asbaâ
Op
04 maart 2026

Naïm Asbaâ is docent, studieadviseur en, vooruit, een beetje idealist. Hij vraagt zich af welke energie de HvA de komende jaren gaat steken in het thema diversiteit en inclusie. Blijft dit thema de komende jaren écht een prioriteit voor de hogeschool, of houden we het bij de spreekwoordelijke afvink-iftar?

Woensdagavond zit ik bij de HvA-iftar. Ik heb me aangemeld omdat ik het belangrijk vind om erbij te zijn. Omdat samen eten iets teweeg kan brengen wat geen beleidsdocument ooit afdwingt.

Een iftar is zichtbaar. Er is aandacht, ontmoeting, erkenning. We laten als hogeschool zien dat diversiteit onderdeel is van wie we zijn en wie er vanzelfsprekend bij hoort. Maar zo’n avond dwingt ook een andere vraag af, want wat bedoelen we eigenlijk met diversiteit en inclusie? Is het iets dat we een dag organiseren, of dat we echt verankeren in ons onderwijs?

Ik heb een aantal jaren in het opleidingsmanagement gewerkt en daar een bijdrage geleverd aan de zogeheten A3-plannen, de jaarplannen van opleidingen waarin op één pagina staat wat prioriteit heeft. Daar zie je al snel wat bovenaan staat: studiesucces, doorstroomcijfers, werkdruk, digitalisering.

Diversiteit en inclusie stonden er ook in. Meestal als ambitie, soms als aandachtspunt. Maar zelden als prioriteit met concrete gevolgen voor het curriculum van studenten, de toetsing of ondersteuning van docenten. En ik moet eerlijk zijn: ook in plannen waar ik zelf bij betrokken was, schoof het thema niet altijd naar boven.

Het is niet dat we inclusie nou zo onbelangrijk vinden, eerder dat onduidelijk is wat we precies willen bereiken

In het huidige instellingsplan lezen we stevige taal. ‘Diversiteit en inclusie zijn ingebed en geïntegreerd in ons volledige onderwijs en onderzoeksportfolio.’ Het is ‘vanzelfsprekend dat we werken en leren in een diverse en inclusieve omgeving.’ We leiden studenten op tot ‘urban professionals’ in een complexe grootstedelijke context.

Dat klinkt ambitieus. Maar in de vertaalslag naar faculteitsplannen zie je het al gauw verschuiven. Daar wordt het een programmalijn, een project of een werkgroep. En op opleidingsniveau wordt het vaak nog kleiner: een studiedag, een keuzemodule, een bijeenkomst of een losse curriculumaanpassing. Wat begint als ‘volledig geïntegreerd” eindigt als iets wat ergens wordt belegd.

Niet omdat iemand het onbelangrijk vindt. Maar ook omdat vaak onduidelijk blijft wat we er precies mee bedoelen. Wat betekent diversiteit en inclusie in een opleiding bedrijfskunde? In accountancy? In ICT? Gaat het om representatie in het docententeam? Om didactiek? Om studiesucces? Zolang dat niet scherp is, blijft verantwoordelijkheid diffuus.

We hebben eerder ambitieuze doelen gesteld, bijvoorbeeld over de diversiteit van het personeelsbestand. Die bleken in de praktijk lastig haalbaar. Sindsdien lijkt het beleid soms meer te leunen op zichtbare momenten en vieringen. Waardevol, zeker. Maar zolang niet duidelijk is wat diversiteit en inclusie concreet betekenen voor leren, toetsen en curriculum, blijven ze losstaan van de kern van ons onderwijs.

Diversiteit gaat over hoe we omgaan met verschillen; als dat geen plek krijgt, voelen veel studenten zich minder gezien

Maar de consequentie is helder. Als inclusie geen kernprioriteit is, blijft het bij ambitie. Dan zie je bevlogen docenten en losse projecten, maar geen systematische verankering. Dan wordt inclusief onderwijs ongelijk verdeeld over de hogeschool. En dan hangt de ervaring van studenten af van toeval.

Inclusief onderwijs is geen sfeer. Het is een kwaliteitskeuze. Het gaat over welke perspectieven standaard onderdeel zijn van ons curriculum. Over hoe we omgaan met verschil in de klas. Over of we docenten toerusten om gesprekken te voeren die niet comfortabel zijn. Want wanneer dat niet gebeurt, voelen studenten zich minder gezien en begrepen. Dan ontstaat afstand tussen opleiding en student, wat niet goed is voor hun motivatie, betrokkenheid en uiteindelijk studiesucces. Inclusief onderwijs is dus geen morele luxe. Het bepaalt of studenten zich thuis voelen in hun opleiding of zich aanpassen aan een norm die niet de hunne is.

In mijn eigen lessen zie ik hoe snel dit concreet wordt. Een casus die uitgaat van één norm zonder dat iemand het benoemt. Een student die voorzichtig aftast of er ruimte is voor een andere ervaring. En ikzelf die moet besluiten: maak ik hier tijd voor, of ga ik door met de planning? Dat zijn kleine beslissingen. Maar ze bepalen wie zich werkelijk gezien voelt.

Terwijl we schrijven aan het nieuwe instellingsplan is dit het moment om eerlijk te zijn. Wordt inclusie een apart kopje tussen andere ambities? Of wordt het een criterium waarop we onderwijskwaliteit beoordelen en teams aanspreken? Misschien moeten we nog een stap verder gaan. Maak de A3-plannen transparant binnen de HvA. Als inclusie echt onderdeel is van onze onderwijskwaliteit, dan hoort dat zichtbaar te zijn in wat opleidingen bovenaan zetten.

Dan is de vraag niet of we een iftar organiseren. De vraag is wat inclusief onderwijs voor ons concreet betekent en of we het durven te behandelen als kern van onderwijskwaliteit, in plaats van als goede intentie.

Deel dit verhaal op je socials:

Lees ook
Naïm Asbaâ
Columnist |  + posts

Naïm Asbaâ is docent, studieadviseur en, vooruit, een beetje idealist: onderwijs gaat immers over meer dan het verdienen van je studiepunten. Voor HvanA schrijft hij om de week een column.