Vrijheid door de ogen van een vluchteling: ‘Twee jaar lang moest ik me schuilhouden in een kamertje’

augustus 25, 2025
Beeld:

Tessel Bruns

Omar Tamimi, Jessica Nora, Amjad Almatni

Geplaatst door
Tessel Bruns
Op
25 augustus 2025

Voor veel studenten is vrijheid iets vanzelfsprekends. Maar wat als je hebt moeten vluchten voor oorlog, onderdrukking of omdat je in het thuisland jezelf niet mocht zijn? Hoe ervaar je vrijheid dan? Lees de verhalen van Amjad, Omar, Jessica en Veronika.

Dit verhaal is onderdeel van ons magazine.

Amjad Almatni (24)
Na vijf jaar van ‘homogenezing’ in Syrië, vlucht Amjad Almatni op zijn zeventiende naar Nederland.

‘Op mijn dertiende kwam ik erachter dat ik op jongens val. In Syrië betekent dat maar één ding: je bent ziek en je moet genezen. In vertrouwen vertelde ik het mijn broer. Een dag later vertelde hij het aan mijn ouders en al snel wist het hele dorp ervan.’

‘Mijn moeder schaamde zich diep en schreeuwde dat ik een schande was. Als ik mijn jongere broertje wilde knuffelen, liet hij dat niet toe. “Mama zegt dat je ziek bent”, zei hij dan. Mijn vader had liever een dode zoon dan een zoon die homo is. Omdat ik op school werd geslagen, kwam ik de deur niet meer uit.’

Vrijheid door de ogen van een vluchteling

Beeld: Tessel Bruns | Amjad Almatni

‘Ik wilde genezen, zei ik, en belandde bij een psycholoog. “Elke homo die bij mij naar binnenkomt, gaat als hetero weer naar buiten”, beloofde hij. Eerst kreeg ik heel rare oefeningen, daarna ging ik over op medicijnen en speciale drankjes waar ik agressief van werd. Vijf jaar lang probeerde ik te genezen, tot ik me op een dag afvroeg: wat als ik helemaal niet ziek ben? Die gedachte liet me niet meer los. Ik loog tegen mijn ouders dat ik genezen was. “Ik zei toch dat het zou lukken”, zei mijn psycholoog.’

‘Omdat het oorlog was in Syrië en de situatie voor lhbti+’ers steeds gevaarlijker werd, vertelde ik mijn ouders dat ik naar Nederland wilde vluchten. Ik had me voorgenomen het contact met mijn ouders te verbreken zodra ik in Nederland was, maar twee dagen voor mijn vertrek zei mijn vader: “Ik ga met je mee.” Ik dacht dat ik ontplofte.’

‘De dag dat ik het Homomonument bezocht, is nog steeds de mooiste dag uit mijn leven’

‘Na anderhalve maand lopen kwamen we aan in Nederland, het vrije land. Maar in het azc in Ter Apel voelde ik me onveiliger dan ooit. Het was nog erger dan in Syrië. Ik werd uitgescholden, gepest en gediscrimineerd. Wat had ik mezelf aangedaan? Nu was ik niet alleen homo, maar ook nog vluchteling.’

‘Op mijn negentiende kreeg ik gelukkig een eigen woning in Amsterdam. Nog steeds wist bijna niemand dat ik homo was, behalve mijn vriendin Corrie, aan wie ik via een taal- en cultuurproject werd gekoppeld. Voor mijn verjaardag nam ze me mee naar het Homomonument. Voor het eerst in mijn leven zag ik de regenboogvlag in het echt, zonder dat die vernield werd. Ik ging op het monument staan en nog nooit voelde ik me zo vrij als toen. Het is nog steeds de mooiste dag uit mijn leven.’

‘Ook in Nederland merk ik dat er grenzen zitten aan mijn vrijheid. Online krijg ik dagelijks homofobe reacties, zelfs als ik me alleen maar uitspreek over politieke kwesties. Maar er zijn ergere dingen, zoals het feit dat ik mijn ouders en broertje bijna verloor. Mijn ouders zeiden ooit dat ik als homo niets zou bereiken, maar nu zien ze dat ik meer heb bereikt dan ons hele dorp bij elkaar. Ik studeer, werk en ik zet me in voor queer vluchtelingen. Ik hoop het voorbeeld te zijn dat ik zelf nooit heb gehad.’

Vrijheid door de ogen van een vluchteling

Beeld: Tessel Bruns | Jessica Nora

Jessica Nora (21)
Twee jaar lang zat de Pakistaanse Jessica Nora ondergedoken bij een onbekend gezin.

‘Toen ik acht was, overleed mijn vader. Hij werkte voor de overheid op een kantoor en mijn zus nam zijn plek over. Op het kantoor werkten alleen maar moslims, en op een dag werd mijn zus door haar baas gedwongen met hem te trouwen.’

‘Ons gezin is christelijk dus mijn zus weigerde dat, maar in Pakistan heb je wetten die het verbieden om de islam te beledigen. Ze werd geslagen en achtervolgd naar ons huis. Omdat ze haar wilden vermoorden moesten we vluchten. Maar ik kon niet mee: omdat ik jong was en nog geen paspoort had, kon er geen visum worden geregeld.’

‘Ik bleef in mijn eentje achter en liep groot gevaar. Er werd een fatwa tegen mij uitgesproken, dat is een juridisch oordeel in de islam. Ook gingen er foto’s van mij rond. Als iemand me zag, zouden ze me vermoorden. De kerk hielp mij en vond een familie waar ik naartoe kon.’

‘Twee jaar lang moest ik me in een kamertje schuilhouden. Ik had geen vrijheid om vrouw te zijn, geen vrijheid om christen te zijn, geen vrijheid om mijn mening te geven en geen vrijheid om naar buiten te gaan, terwijl in Pakistan altijd de zon schijnt. De paar keer dat ik wel naar buiten mocht, moest ik een boerka dragen terwijl ik christen ben. Niemand mocht mij herkennen. Mijn handen trilden vaak. Ik was zo bang.’

Nooit eerder heb ik mijn verhaal gedeeld. Nu wel, dat voelt fijn

‘Twee jaar later werd ik achttien en kreeg ik een paspoort en visum van de Nederlandse ambassade in Pakistan. De reis naar Nederland was eng. Ik had geen hoofddoek en wist niet hoe ik mijn gezicht moest bedekken. Zouden ze weten wie ik was?’

‘Eenmaal in Nederland had ik die angst soms nog steeds. Ik sprak nog geen Nederlands en kon niet studeren, terwijl mijn zus gewoon naar haar werk ging. Omdat ik vaak verdrietig was en veel moest huilen, ging ik naar een psycholoog. Hij was ook christelijk en zei dat ik vertrouwen moest hebben in God.’

‘Nu gaat het een stuk beter. Ik word vrolijk wakker, ga naar school en loop vaak rondjes door Amsterdam. Ik ben zelfs in mijn eentje op vakantie geweest. Drie jaar woon ik hier nu en ik heb me nog nooit zo vrij gevoeld. Ik hoef geen hoofddoek meer te dragen, ik mag zeggen wat ik wil en ik heb zelfvertrouwen gekregen. Soms als ik mijn ogen sluit en denk aan mijn vroegere leven, kan ik niet geloven dat ik in Nederland woon.’

‘Toen ik werd gevraagd voor dit interview was mijn eerste reactie dat ik niet mee kon doen. Maar daarna besefte ik dat ik in Nederland ben, en dat ik hier gewoon mijn verhaal mag delen. Die onzekerheid is het enige waar ik soms nog last van heb. Ik merk dat ik gesprekken met moslims vaak probeer te vermijden omdat ik bang ben iets verkeerds te zeggen. Nooit eerder heb ik mijn verhaal gedeeld. Nu wel, dat voelt fijn.’

Omar Tamimi (20)*
De Palestijns-Nederlandse Omar Tamimi groeide op in Jarmuk, een Palestijns vluchtelingenkamp in Syrië.

‘Ik ben drie keer vluchteling geweest in mijn leven, en als vluchteling geboren. Mijn grootouders komen nog wel uit Palestina, uit Nazareth, toen het gebied nog niet was ingenomen door Israël. Daarna vluchtten veel Palestijnen naar kamp Jarmuk, wat we ook wel ‘klein Palestina’ noemen omdat er alleen maar Palestijnen wonen.’

‘Toen ik jong was, wist ik nog niet goed wat vrijheid betekende. Dat veranderde toen de Syrische oorlog uitbrak en het leven in Jarmuk levensgevaarlijk werd. Ik mocht niet uit het raam kijken en moest altijd op de grond liggen. Overal waren tanks en snipers. Soms schoten ze gewoon uit verveling.’

Vrijheid door de ogen van een vluchteling

Beeld: Tessel Bruns | Omar Tamimi

‘We zeiden altijd: “De muren hebben oren”, omdat alles wat je zei bij de regering van Assad kon belanden. Iedereen leefde in constante angst om opgepakt en vervolgens mishandeld te worden. Op school moest ik iedere ochtend de Syrische vlag eren en een foto van Assad groeten, met een gebaar dat leek op de Hitlergroet. Het was allemaal heel strikt en dictatoriaal, iedereen had militaire uniformen aan.’

‘In Nederland hadden de muren geen oren meer’

‘Alles werd anders toen ik op mijn elfde naar Nederland kwam. De bomen waren groen, op school werd ik niet meer geslagen, nergens waren foto’s van Assad en de muren hadden geen oren meer. We konden naar Al Jazeera kijken zonder de angst om betrapt te worden. Naarmate ik ouder werd begon ik beter te begrijpen wat vrijheid eigenlijk is. Dat ik hier de vrijheid heb om mijn stem te gebruiken, om te zeggen wat ik wil zeggen. Die stem gebruik ik nu om te demonstreren voor een vrij Palestina. Want wat ik in Jarmuk heb gezien, zie ik nu opnieuw in Gaza.’

‘Waarom leef ik wel en gaan er zo veel mensen daar dood? Van die survivors guilt kom ik moeilijk af. Als ik bij protesten geslagen of gearresteerd word door de politie, denk ik: ik doe tenminste iets. In mijn ogen ben je pas vrij als iedereen dat is, daarom strijd ik niet alleen voor Palestina, maar bijvoorbeeld ook voor Congo en Kashmir.’

‘Tijdens demonstraties moet ik wel oppassen met wat ik zeg en draag ik mijn keffiyeh. Eén keer had ik ‘m niet om, en toen kwam ik gelijk op een extreemrechtse Twitterpagina terecht. “Gooi deze baardenjongen in de gracht”, stond erbij. Daarom bedek ik mijn gezicht ook voor de media. En een beetje voor de HvA. Ik wil voorkomen geprofileerd te worden en wil niet dat mijn verzet invloed heeft op mijn cijfers.’

‘In Palestina is het normaal om verzet te tonen. Dat mis ik wel aan vroeger, dat ik niet meer door gelijkgestemden omringd ben. Ik zou natuurlijk terug kunnen gaan, maar door het onrecht en geweld daar, zou ik meteen in opstand komen. Lang zou ik dan niet meer leven, denk ik.’

* Vanwege privacyredenen is de naam van Omar gefingeerd. Zijn echte naam is bekend bij de redactie.

Vrijheid door de ogen van een vluchteling

Beeld: Tessel Bruns | Veronika Ladyko

Veronika Ladyko (19)
Een jaar nadat de oorlog in Oekraïne uitbrak, vluchtte Veronika Ladyko naar Amsterdam.

‘Toen de aanvallen in Oekraïne begonnen, was ik doodsbang. Ik was met een vriendin in een park in Dnipro toen we aan de andere kant van de stad een explosie zagen. Het voelde alsof mijn vrijheid op dat moment werd binnengedrongen en eigenlijk niet meer bestond. Het luchtalarm ging continu af, we verstopten ons in de schuilkelder, mijn lessen gingen online.’

‘Mijn ouders besloten dat ik als eerste Oekraïne moest verlaten. We leefden in een constante staat van stress, en dat terwijl ik net de middelbare school had afgerond en wilde gaan studeren.

‘Ze kozen voor Nederland vanwege de goede kwaliteit van het onderwijs en omdat hier al meer Oekraïense studenten waren. Mijn vader en broertjes zijn uiteindelijk naar Polen gevlucht. Mijn moeder is arts en moest in Dnipro blijven, daar is ze nog steeds. Net als mannen boven de achttien jaar mag ze het land niet uit.’

‘Amsterdam voelde als een bevrijding. Maar die vrijheid komt ook met een schuldgevoel. Ik geniet hier van mijn nieuwe leven, maar mijn moeder moet constant aan haar veiligheid denken en leeft nog altijd in onzekerheid.’

‘In Amsterdam ben ik niet alleen maar een Oekraïense vluchteling’

‘Toen ik hier net was, ging ik aan de slag als barista in een café naast het Westerpark. Elke keer als ik van de bushalte naar mijn werk liep, zag ik mensen in het park van de zon genieten. Dat wil ik ook, dacht ik. Nu maak ik na mijn shift, voordat ik naar huis ga, altijd een stop in het Westerpark. Even zitten, op een bankje of op het gras. Dat is mijn momentje voor mezelf geworden.’

‘In Amsterdam ben ik niet alleen maar een Oekraïense vluchteling. Ik ben ook een jonge vrouw met dromen, die de kans krijgt om de wereld om haar heen te ontdekken. Dat betekent vrijheid voor mij. Het hebben van keuzes. Maar het zit ook in kleinere dingen. Zoals mijn telefoonmeldingen uitzetten zonder bang te zijn het luchtalarm of het nieuws te missen. Of mijn raam openlaten zonder voor schokgolven te vrezen. Zulke dingen lijken vanzelfsprekend, maar dat zijn ze nu niet meer voor mij.’

‘Wel heb ik bewijsdrang. Ik weet dat mijn ouders willen dat ik mijn opleiding haal, een goede baan krijg, misschien zelfs de weg naar Europa voor hen open. Ze zetten me niet onder druk, maar ik merk aan mezelf dat ik extra mijn best wil doen. Ik ben serieuzer dan eerst, werk harder, wil beter presteren. Soms leg ik de lat zo hoog, dat ik me schuldig voel als ik even iets voor mijn plezier doe. Maar gelukkig ben ik nu hier. Ik kan me niet voorstellen hoe mijn leven er nu uit had gezien in Oekraïne.’

Geplaatst door