Disco Draait Door – over onderwijsarmoede
HvanA
Weer een maand nieuws verder. Maar wat gebeurt er nou eigenlijk écht in het hoger onderwijs? Hoofdredacteur Paul Disco filosofeert graag over de feiten. In deze nieuwe rubriek belicht hij elke maand hapklaar de belangrijkste ontwikkelingen in het hbo. Deze maand draait hij door over… onderwijsarmoede.
Mijn observatie over studielast maakte veel los. Ik schreef erover op LinkedIn en kreeg ruim honderd reacties. Herkenning, maar ook tegenspraak en nieuwe invalshoeken. Dat maakt het beeld rijker en eerlijker. Lees even mee:
1. Voltijd
We doen alsof het hbo een voltijdopleiding is. Maar iedereen die er werkt of studeert, weet dat dat beeld niet meer klopt. Volgens de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) staat één studiejaar gelijk aan 60 studiepunten, oftewel 1.680 uur. Omgerekend is dat zo’n 40 uur per week. Een fulltime baan dus. Alleen: vrijwel geen enkele student studeert daadwerkelijk 40 uur.
2. Ondergrens
Tot een jaar of tien geleden was er nog een soort ondergrens. In de propedeuse gold een richtlijn van minimaal 12 contacturen per week. De gedachte was simpel: die contacttijd vormt de ruggengraat, de rest vult de student zelf in. Rond 2017 is die ondergrens losgelaten. Sindsdien wordt vooral gekeken naar de totale studielast. Maar die studielast is in de praktijk steeds meer een papieren werkelijkheid.
3. Geen onwil
Vraag studenten hoeveel ze écht met hun studie bezig zijn, en de antwoorden liggen zelden in de buurt van die 40 uur. Eerder 5 tot 15 uur per week. Onderzoek laat zien dat in een gemiddelde klas soms maar een derde van de studenten aanwezig is. Studenten zeggen zelf iets wat eigenlijk alles verklaart: als je weinig les hebt, begin je ook minder snel. Dat is geen onwil, maar een logisch gevolg van hoe het onderwijs is ingericht.
4. Bijbanen
Daar komt bij dat Nederland Europees kampioen bijbanen is. Veel studenten werken 12 tot 35 uur per week naast hun studie. Met 20 uur werk is een studie van 40 uur simpelweg niet vol te houden. Het systeem corrigeert zichzelf: studeren schuift automatisch terug naar 10 tot 20 uur per week. Wat overblijft, zijn voltijdopleidingen op papier, die feitelijk in deeltijd draaien.
5. Stilzwijgen
Het opvallende is dat iedereen dit ziet, maar dat het onderwijs er nauwelijks op wordt aangepast. Op opleidingssites staat nog steeds dat studenten 40 uur per week studeren. Alsof het klopt. Alsof het uitvoerbaar is. Alsof het gebeurt. Dat collectieve stilzwijgen is misschien nog wel het meest interessante onderdeel van het probleem.
6. Onderwijsarmoede
De gevolgen zijn groter dan alleen minder studietijd. Minder uren betekenen ook minder gemeenschap, minder ritme, minder vakvorming en minder binding. Het hbo wordt dunner. Ik zou dat onderwijsarmoede noemen: een systeem dat formeel rijk is ingericht, maar in de praktijk steeds minder biedt.
Paradoxaal leidt minder studietijd niet tot minder druk. Integendeel. De druk verschuift naar piekmomenten: deadlines, tentamens, herkansingen. Studenten ervaren wel stress, maar bouwen minder geleidelijk kennis op. Het systeem vraagt nog steeds prestaties, maar biedt minder structuur om daar naartoe te werken.
Daarmee schuift ook iets anders mee: de waarde van het diploma. Een studiepunt staat formeel voor 28 uur studie. Maar als studenten structureel minder tijd investeren, wordt dat getal steeds fictiever. En daarmee komt onvermijdelijk de vraag op tafel wat een diploma nog precies vertegenwoordigt.
7. Betekenis opleiding
Misschien zit daaronder nog een fundamenteler probleem. Waarom zou je 40 uur per week studeren als niemand dat echt van je verwacht? Als het onderwijs geen duidelijke vorm meer heeft, verdwijnt ook de betekenis van de opleiding. Pedagoog Gert Biesta wijst erop dat onderwijs niet alleen draait om flexibiliteit en eigen regie, maar ook om verantwoordelijkheid en vorming. Dat is steeds minder zichtbaar.
+++
De reacties op mijn stuk maken het beeld scherper
Voltijd als fictie
Veel reacties bevestigen het beeld: die 40 uur is vooral papier. Sommigen gaan verder: misschien is tijd überhaupt niet meer de juiste maat, en moeten we kijken naar wat studenten kunnen — niet hoeveel uur ze maken. ‘Wat maakt het uit of een student een leerdoel in 10, 20 of 200 uur haalt?’, was een van de reacties.
Docenten herkennen dat het loslaten van contacturen ruimte gaf, maar ook leegte. We verwachten zelfstandigheid van studenten die daar vaak nog niet klaar voor zijn. Of zoals iemand reageerde: ‘eerstejaars zijn nog geen studenten, maar scholieren met bijbehorende mindset.’ Structuur is geen beperking, maar voorwaarde.
Het onderwijs stuurt gedrag
De financiering van het onderwijs werkt onderwijsarmoede in de hand. Uren waarin docenten onderwijs geven zijn duur, uren die als zelfstudie worden opgevoerd niet. Een docent verwoordde het zo: ‘studentgebonden uren zijn goedkoop, docentgebonden uren niet.’ Het gevolg: steeds minder onderwijs, toch de wettelijke uren op papier.
Ook een andere richting werd genoemd: misschien moeten we stoppen met doen alsof dit tijdelijk is. ‘We zouden moeten onderzoeken of een duaal stelsel niet beter past bij deze tijd’. Leren en werken zijn voor veel studenten al verweven — alleen organiseren we het nog niet zo. Dat idee is niet nieuw: ‘Joseph Kessels pleitte er 25 jaar geleden al voor.’ Misschien is de vraag of de tijd er nu wel rijp voor is.
Daarnaast werd genoemd dat met AI een deel van het leren helemaal uit beeld verdwijnt.
Waar gaat het eigenlijk om?
De scherpste reacties gaan over betekenis. Studenten missen het ‘waarom’. Iemand schreef: ‘weten waarom je doet wat je doet verhoogt de motivatie, maar dat wordt zelden expliciet gemaakt.’
Tegelijk klinkt er een tegenstem: misschien verwachten we juist te weinig. ‘Studenten gedragen zich naar de lage verwachtingen die we van hen hebben.’ In een minor die bewust was ontworpen op een reële studielast, gaven studenten terug: ‘intensief en leerzaam onderwijs, maar dit zijn we niet gewend.’ Daarmee verschuift de vraag van studie-uren naar verwachtingen. Andere discussie, maar inderdaad essentieel.
Mijn uitdraai
We blijven het hbo organiseren als een voltijds gemeenschap, terwijl het in de praktijk feitelijk een deeltijdactiviteit is. De vraag is: waarom hebben we eigenlijk een onderwijswet die op grote schaal niet wordt uitgevoerd? Het verschil tussen papier en praktijk is absurd.
Of we gaan terug naar een herkenbare voltijdopleiding, met meer structuur, meer contacttijd en een ritme dat studenten helpt om te leren — en dus ook minder ruimte voor bijbanen. Of we erkennen dat het hbo feitelijk al hybride is geworden, en organiseren dat beter: werken en leren bewust combineren, duidelijke verwachtingen, minder papieren studielast en meer zichtbare leeromgevingen. En ja — dan hoort daar ook een aanpassing van de onderwijswet bij.
Wat echt heel onverstandig is, is doen alsof het allebei tegelijk kan. Want precies daar ontstaat de onderwijsarmoede: in het verschil tussen wat hogescholen beloven en wat ze leveren.
Deel dit verhaal op je socials
Geplaatst door
Ik ben hoofdredacteur van HvanA. Heb je nieuws over de HvA, wil je wat kwijt of gewoon even bijpraten: mail gerust naar paul@hvana.nl

