De vijf van ’25 – Gijs Tuinman over samenwerken met Defensie
Rijksoverheid, Martijn Beekman
Gijs Tuinman
Het jaar loopt ten einde. HvanA kijkt vooruit naar wat het hbo na 2025 te wachten staat en houdt er vijf verdiepende gesprekken over. Deze keer: Gijs Tuinman, staatssecretaris van Defensie, over de opkomst van militaire minoren in het hbo. Waarom komt Defensie de collegezaal binnen? En wat betekent dat voor onderwijs, vrijheid en democratie?
Terwijl het hbo zich opmaakt voor bezuinigingen, digitalisering, krimp en grote maatschappelijke vraagstukken, schuift een nieuw thema de collegezalen binnen: defensie. Steeds meer hogescholen bieden een militaire minor aan, deelname groeit, en het woord “weerbaarheid” klinkt vaker dan voorheen. Dat roept nieuwsgierigheid op — en soms stevige weerstand.
Want wat betekent het wanneer Defensie onderdeel wordt van het curriculum? Wat leert een student daar precies? En hoe verhoudt dit zich tot academische vrijheid, kritische vorming en de rol van het onderwijs in de democratie? In dit eindejaarsinterview hebben we het erover met Gijs Tuinman, staatssecretaris van Defensie: ‘Het is niet alleen maar onze taak om zo veel mogelijk mensen in uniform te krijgen.’
Op LinkedIn ontstond een discussie over de militaire minoren. Een HvA’er opperde of het niet tijd is voor een minor Leiderschap voor vrede. Die reactie moest eraf voor er debat kwam.
‘Ik vind het jammer wanneer reacties worden weggehaald, zeker bij dit soort thema’s. Juist onderwerpen als defensie, vrede, macht en geweld horen open besproken te worden in het onderwijs. Daarom reageerde ik: om het gesprek te voeren en zorgen serieus te nemen.’
Maar goed, waarom wel een minor over militaire inzet maar geen minor over vrede, diplomatie of ontwikkeling?
‘Die opleidingen zijn er al, en al heel lang — denk aan studies gericht op ontwikkelingssamenwerking, humanities, filosofie, internationale betrekkingen’

Beeld: HvanA | Werving in Nicolaes Tulphuis
‘Die heb je in Utrecht, Amsterdam, Leiden, en dat is uitstekend. Daar is helemaal niets mis mee. Maar de realiteit van vandaag vraagt óók om het gesprek over veiligheid en weerbaarheid. Het één sluit het ander niet uit.’
Waarom niet?
‘Die opleidingen móet je hebben — dat vind ik ook. Maar de realiteit van nu is dat soft power alleen niet altijd volstaat. Naast diplomatie, waarden en samenwerking heb je soms hard power nodig: het vermogen om een grens te stellen en te zeggen: “tot hier en niet verder”.’

Beeld: Defensie
Wat baseert u daarvan op uw eigen ervaring in missies?
‘Ik heb twintig jaar bij Defensie gewerkt en bijna drie jaar in Afghanistan gezeten. Daar gebruikten we zowel soft power — praten, opbouwen, samenwerken — als hard power. Maar uiteindelijk zaten we daar vanuit één uitgangspunt: vrede. We creëerden veiligheid om mensen de kans te geven hun eigen samenleving in vrijheid op te bouwen. En volgens mij heeft uiteindelijk iedereen dezelfde doelstelling.’
Welke doelstelling is dat dan, volgens u?
‘Het gaat om het beschermen van wat ons dierbaar is: vrijheid, veiligheid, de samenleving waarin we willen leven. Alleen: de wereld verandert snel. Dat vraagt ook dat we eerlijk kijken naar welke middelen daarbij horen — juist omdat we vrede willen behouden.’
Oké, maar waarom hoort Defensie als minor ín het hbo? En niet ná de studie, zoals vroeger ook het geval was?
‘Omdat het goed aansluit bij beroepsonderwijs en persoonsvorming. Het gaat om leiderschap, samenwerken, verantwoordelijkheid nemen, reflecteren en theorie in praktijk brengen. Defensie is één van de contexten waarin studenten dat kunnen ontwikkelen.’
‘Het gaat om leiderschap, samenwerken, verantwoordelijkheid nemen, reflecteren en theorie in praktijk brengen’
Als het gaat over het aantal reservisten, dan zijn dat er via die minoren maar een handvol. Of zijn er andere plannen?
‘De minor is één onderdeel van een bredere weerbaarheidsagenda. We werken met drie sporen: onderwijs, werkgevers en individuele deelnemers. Het programma is vrijwillig en bedoeld om duizenden jongeren per jaar te bereiken.’
Hoe vrijwillig is zo’n traject eigenlijk?
‘Volledig. Studenten kiezen er zelf voor. Onderwijskoepels zijn enthousiast omdat thema’s als veiligheid, digitale dreiging en burgerschap steeds meer terugkomen in opleidingen. Maar de keuze blijft bij de student.’
Nog even over die minoren, wie bepaalt de leerdoelen: Defensie of het onderwijs?
‘De hogeschool bepaalt de leerdoelen. Defensie levert tien weken initiële militaire opleiding binnen die kaders. Daarin zitten samenwerken, EHBO, leiderschap, zelfredzaamheid en omgaan met druk. De opleiding zorgt dat dit past binnen hun curriculum en reflectie.’
Wie is Gijs Tuinman?
Gijs Tuinman (BBB) is staatssecretaris van Defensie en verantwoordelijk voor personeel, materieel, innovatie en de samenwerking met kennisinstellingen en het bedrijfsleven. Hij zet in op versterking van de krijgsmacht, modernisering van materieel en technologische innovatie — van drones tot data- en sensortechnologie.
In 2014 ontving hij de Militaire Willems-Orde voor zijn optreden in het veld — de hoogste Nederlandse onderscheiding voor moed.
Wat leert een student in die initiële militaire opleiding?
‘Zorg voor jezelf en voor anderen, samenwerken, leidinggeven én kunnen volgen, omgaan met stress en onbekende situaties. Er hoort ook een schietonderdeel bij, maar het draait vooral om functioneren onder druk en verantwoordelijkheid dragen.’
Defensie verzorgt tien weken van de minor. Hoe zit het met de rest van het curriculum?
‘Die wordt volledig door de hogeschool zelf vormgegeven. Daar bemoeit Defensie zich niet mee.’
Maar bemoeit de hogeschool zich dan wél inhoudelijk met de initiële militaire opleiding?
‘Nee, inhoudelijk niet. Wat we wél belangrijk vinden — en dat gebeurt in goed overleg — is dat de programma’s elkaar versterken. De ervaring uit de initiële opleiding moet kunnen aansluiten op wat studenten in het vervolg van de minor doen, zodat het één geheel wordt.’
‘Je moet als land technologisch net iets vooruitlopen’
Wat zou u graag nog meer met hogescholen willen doen?
‘Ik ben echt al heel blij dat de hogescholen en ook andere opleiders, bedrijven en overheidsinstanties bijdragen. Maar ik denk aan onderwijs over veiligheid en digitale dreiging, ruimte voor gesprekken over vrede, macht en ethiek, en mogelijkheden voor studenten om vrijwillig bij te dragen aan de veiligheidsagenda. Dat is een gezamenlijke inspanning, geen defensie-dictaat.’
Waarom ziet u innovatie en kennisinstellingen als essentieel onderdeel van defensie?
‘Je moet als land technologisch net iets vooruitlopen. Daarom investeren we via NWO in onderzoek, ook in civiele technologie. Innovatie ontstaat in het samenspel tussen universiteiten, hogescholen, startups en industrie.’
Leidt samenwerking tussen onderwijs, wetenschap en Defensie niet tot risico’s rond spionage en kennisveiligheid?
‘Kennisveiligheid is zeker een thema, maar dat geldt niet alleen voor defensieprojecten. Denk aan chips, fotonica en medische technologie: daar spelen grote economische en geopolitieke belangen, bijvoorbeeld richting China. Kijk naar de toenemende dreiging die uitgaat van Russische chemische wapens. Wetenschappelijke publicaties zijn wereldwijd zichtbaar — iedereen leest mee. Het vraagstuk is dus breder dan Defensie alleen.’
Is het risico dan niet dat hogescholen of universiteiten een doelwit worden?
‘Het risico zit hem vooral in het soort onderzoek dat wordt gedaan en wie ermee samenwerkt, niet in het enkele feit dat Defensie partner is. Innovatie, kennisontwikkeling en veiligheid zijn geen gescheiden werelden meer. We moeten samenwerking én bescherming goed organiseren — want niets doen en volledig afhankelijk worden van anderen is óók een risico.’
Een van onze columnisten waarschuwt: onderwijs en Defensie dienen verschillende belangen. Onderwijs wil opleiden, defensie wil optreden. Hoe kijkt u daarnaar?
‘Het gaat uiteindelijk om hetzelfde: beschermen wat ons dierbaar is — vrijheid, veiligheid en een samenleving waarin mensen zichzelf kunnen ontplooien. Defensie bestaat niet uit een anonieme organisatie; het zijn gewone mensen: jouw broer, mijn zus, onze kinderen. Zij doen dit niet voor Defensie als instituut, maar voor hun eigen toekomst en die van anderen.’
Maar onderwijs is bedoeld om te vormen en kritisch te leren denken, terwijl Defensie moet kunnen handelen. Waar ligt de grens?
‘Onze taak is niet om zo veel mogelijk mensen in uniform te krijgen of om te indoctrineren — dat is een misvatting. De krijgsmacht is verankerd in de Grondwet en onder volledige parlementaire controle. Onderwijsinstellingen en Defensie hebben ieder hun eigen rol, maar wij delen de verantwoordelijkheid om jonge mensen de ruimte te geven zich te ontwikkelen, vragen te stellen, macht te bevragen én te kunnen bijdragen aan de bescherming van de samenleving als dat nodig is.’
Ja, maar waar ligt de grens?
‘Weet je, het bestaan van de krijgsmacht is geen wens van onze organisatie, maar een afspraak van de samenleving. We vragen mannen en vrouwen om hun eigen belang soms ondergeschikt te maken aan dat van anderen. Onderwijs speelt een belangrijke rol in de vorming van jongeren — in een wereld die misschien minder voorspelbaar en veiliger is dan toen ik zelf jong was. Daarom past het gesprek over veiligheid, vrijheid en verantwoordelijkheid ook in het hbo.’
‘Dat mensen kritische vragen stellen, vind ik gezond’
Hoe kijkt u eigenlijk naar kritiek vanuit het onderwijs op de militaire minoren?
‘Dat mensen kritische vragen stellen, vind ik gezond. Het wordt pas een probleem als het gesprek stopt en alleen karikaturen overblijven. In inhoudelijke gesprekken blijkt meestal dat we dichter bij elkaar staan dan gedacht.’
Wat leert Defensie zelf van de samenwerking met het onderwijs?
‘Dat weerbaarheid breder is dan de krijgsmacht. Dat we moeten luisteren, uitleggen en soms bijsturen. En dat goede voorbereiding, begeleiding en nazorg voor studenten ons zelf ook scherper maakt.’
Wat is volgens u de grootste misvatting over Defensie in het hoger onderwijs?
‘Dat Defensie een anonieme geweldmachine is. Het zijn gewone Nederlanders. Oorlog is duurder dan vrede, maar het allerduurst is je vrijheid verliezen omdat je niet bereid was die te beschermen.’
Ik heb gevraagd wat ik wilde vragen. Dank voor het gesprek.
‘Fijn om te horen. En misschien is het goed om dit gesprek breder te voeren, bijvoorbeeld met docenten of een groep vanuit de hogeschool. Ik kom daar graag voor naar Amsterdam.’
U zou dat gesprek willen voeren op de hogeschool zelf?
‘Ja. Het lijkt mij waardevol om met meerdere mensen om tafel te zitten, eventueel samen met iemand van onze Faculteit Militaire Wetenschappen. Anderen brengen weer een ander verhaal mee, en dat helpt om de nuance te bewaren.’
Waarom vindt u dat zo belangrijk?
‘Omdat het grote risico van deze tijd is dat we alleen nog in tweetjes en snelle reacties communiceren. Dan staan mensen meteen tegenover elkaar. Het helpt als je elkaar spreekt, uitlegt, bevraagt. In het publieke debat zie je hoe snel het verhardt. Een echt gesprek is daar een goed antwoord op.
Het volgende eindejaarsinterview van De vijf van ‘25 is met Ilyaz Nasrullah, over de belofte van AI in het hoger onderwijs. Denken hogescholen wel genoeg na over de risico’s?
Deel dit verhaal op je socials:
[molongui_author_box]

